K. Nowak: De maanbergen

Waarin Kazimierz vriendschap sluit met een eenzame jongen, zijn geweer moet gebruiken en de pracht van de Maanbergen bezingt.

Vlak na Pasen verlaat ik Beni, dat aan de Semlikirivier ligt. Boven me torende de indrukwekkende Ruwenzori uit. Dit gebergte noemt men hier ook wel de Maanbergen. Ze zijn alleen ‘s nachts goed te zien, als het licht van de volle maan de op Margaretagletsjer weerkaatst. Overdag zijn ze steevast in wolken en mist gehuld. Ik heb hier aan de voet van deze bergen heel wat nachten doorgebracht. 

‘s Avonds zat ik samen met de missionarissen onder de sterrenhemel voor onze hut en keken we naar de silhouetten van de bergtoppen. De missionarissen van Sint-Gustav zorgen in Beni voor melaatsen. Daar zag ik voor het eerst met eigen ogen de dodelijke gevolgen van de ziekte. Sommige lepralijders waren er zo slecht aan toe dat hun botten door hun afstervende vlees staken. Uit hun wonden kwam een afschuwelijke geur van ontbinding. Ze waren in feite wandelende doden, maar toch konden ze nog lachen of een praatje maken en inspecteerden ze goedgemutst de reeds voor hen gedelfde graven waarin ze een paar dagen later zouden liggen. Het leek alsof ze geen angst kenden en klagen deden ze ook niet.  

Wanneer één van hen sterft wordt  dat door middel van drumgeluiden, die door de nederzetting weerklinken, bekendgemaakt. De levenden verzamelen dan in het huis van de aflijvige om er te dansen en bier te drinken. De hele stam betuigt voor de laatste keer zijn respect aan de dode en hoopt zo de gunsten van zijn geest te verkrijgen.

Bij de meeste Centraal-Afrikaanse stammen worden de doden in de hut ofwel er vlak naast begraven. Dit is omdat ze geloven dat de geesten van de doden hen zullen beschermen die nu als tussenpersonen fungeren tussen de levenden en Mimu, de Grote Geest. Opdat ze niet van hebzucht/lijkenpikkerij kunnen worden verdacht door de geest, begraven de familieleden de dode met al zijn bezittingen. Dit zijn schalen met eten en drank, korven, metalen kisten, stoelen, olielampen, hoorns, schedels, jagerstrofeeën en talloze andere spullen..

In het geval de overledene een slecht mens was echter, moet de geest boeten voor zijn zonden en doolt die als een dier, een roofdier meestal, door de wildernis. 

Als de nacht valt vergrendelen de dorpelingen veiligheidshalve hun deuren. Niemand waagt zich dan buiten, zelfs niet met een goede reden, omdat iedereen die in het donker rondloopt ervan verdacht wordt een dolende ziel te zijn die de levenden uit hun hutten wil lokken.

De medicijnman speelt, als ceremoniemeester van dienst, een belangrijke rol bij Afrikaanse begrafenissen. Hij bepaalt hoe het graf moet gegraven worden en hoe het lichaam moet worden gepositioneerd. Hij verdeelt amuletten onder de aanwezigen en doet een afscheidsdans boven het graf, om het leven en de daden van de overledene te eer te betuigen.

Dit is uiteraard geen gratis dienstverlening. Elke dode biedt een goede gelegenheid om wat  te verdienen. De medicijnman is een bemiddelaar tussen de wereld van de levenden en die van de doden.  Als zijn bemiddeling mislukt echter, dan heeft dit te maken met de ondermaatse betaling die werd gedaan ten bate van de geest van de overledene. Dan verliezende amuletten hun magische krachten. In dat geval moeten het lichaam links of rechts op de zij worden gedraaid en het hoofd naar boven of beneden gekeerd. 

Zelfs in de missiedorpen, waar christelijke begrafenissen worden gehouden, graaft men de doden weer op zodat de medicijnman wat hyenahuiden, luipaardnagels en dierlijke botten in het doodskleed kan stoppen. Bij het graf wordt, in het licht van een toorts, een wake gehouden. Het huis van de missionarissen wordt dan omringd door mensen die elke beweging van de medicijnman nauwlettend in de gaten houden. Als een missionaris uit het huis komt, worden alle fakkels gedoofd en verspreiden de deelnemers van deze macabere ceremonie zich vliegensvlug. In de streek rond de Maanbergen zijn deze ceremonies gebruikelijk net zoals, naar alle waarschijnlijkheid, in andere primitieve delen van het Donkere Continent.

Het verhaal van Remo

Toen ik later de prachtige nederzetting van Beni verliet, zou ik worden uitgewuifd door de monniken en door een kleine jongen, Remo. Die was nauwelijks drie jaar maar had al heel wat meegemaakt. 

Hij was een wees, en kwam in de hoek van mijn met gras bedekte hut zitten, gretig starend naar een tros bananen die aan het plafond hing. Als ik hem er wat gaf, verslond hij ze gulzig en viel daarna in slaap. Hij werd pas wakker door het geluid van de grote trommels die iedereen opriepen voor het avondgebed.

Remo werd geboren in de vlakte van de Semliki-rivier in een hut die meer weg had van een hooiberg dan van een huis. Zijn vader was als kleine jongen aan een mensenhandelaar gegeven. Die verhuurde hem aan reizigers en handelaren. Aanvankelijk had hij als taak zijn werkgevers met een grote waaier koelte toe te wapperen. Later werd hij een een soort huisbediende en op volwassen leeftijd, een kruier. Hij wist op een dag te ontsnappen aan de  mensenhandelaar. Lange tijd zwierf hij door de bossen, waar hij zich verstopte voor handelskaravanen en blanke ronselaars. Uiteindelijk vestigde hij zich op de savanne, omdat de lokale dorpelingen een hekel hadden aan buitenstaanders van vreemde stammen. Hij ging aan de slag voor zichzelf, plantte bananenbomen en maakte potten van klei. Als die in de zon gedroogd waren, vulde hij ze met pombei – een bier gemaakt van zijn bananen. De dorpelingen, op weg naar huis na de jacht of de visvangst, stopten bij zijn huis en betaalden hem wat voor de drank met stukken vlees, waarmee hij zijn kleine familie kon voeden.

Remo’s vader was getrouwd met een melaatse. Ze kostte hem twee geiten; de prijs van een gezond meisje in deze streken was tien geiten. Dit bleek al gauw een interessante investering te zijn omdat zijn vrouw, hoewel melaats, een goede kok was en sterk genoeg om voor twee dagen brandhout vanuit een afgelegen bos tot thuis op haar hoofd te dragen.

Toen kleine Remo geboren werd, werd zijn moeder zwakker en de nare ziekte tastte haar borsten aan. Vanaf dan werd hij met geitenmelk gevoed. Uiteindelijk stierf de betreurenswaardige vrouw en werd ze begraven. Dit betekende niet alleen dat Remo’s vader zijn vrouw verloor, maar ook de twee geiten waarmee hij had betaald voor haar.

Tot overmaat van ramp brak er een dysenterie-epidemie uit, en de inwoners van de hele Semliki-vallei kwamen onder de zweren te zitten. Mensen en dieren stierven massaal. Gevallen van slaapziekte doken ook op, waardoor de regering de gehele bevolking van de regio besloot te evacueren. Ondanks het evacuatiebevel bleef Remo’s vader achter in zijn hut. 

Hij overleefde op bananen en bier, dat niemand meer van hem kocht, terwijl de kleine Remo door de geit werd gezoogd en urenlang huilde omdat er niemand was om hem te wassen, te knuffelen of voor hem te zorgen…

Op een dag werd zijn vader aangevallen door leeuwen toen hij brandhout ging halen. Hij werd aan flarden gescheurd. Zo werd kleine Remo een wees. Hij was toen slechts één jaar oud, maar kon al lopen. Hij voedde zich met de melk van zijn geit en sliep met zijn hond in de hoek van het huis, waar ooit een vuur had gebrand. Na een tijdje stuitte een kleine groep missionarissen, die op terugweg van een expeditie was verdwaald in de savanne, op de overwoekerde hut. Binnenin ontdekten ze een geit, een hond en een kleine jongen. Toen de jongen de missionarissen zag, vertoonde hij geen tekenen van angst of vreugde. Hij sprak ook niet, maar maar maakte geluiden die leken op blaffen en blaten, waardoor hij kon communiceren met de dieren om hem heen.

Zo kwam de vuile en naakte wees bij de missie aan. Hij werd gedoopt en kreeg de naam Remo. Hoewel de jongen snel leerde spreken bleef hij een eenzaat. Ik ontmoette hem op de avond dat ik in de missie aankwam. Hij knielde bij de beeltenis van de Witte Dame, hardop biddend in de lokale taal. Hij raakte gehecht aan mij en hield me vaak gezelschap.

Op een dag, toen ik aan het lunchen was, hoorde ik een schreeuw. De kleine jongen rende naar me toe en pakte mijn hand, terwijl hij zielig riep: Hond! Slang! Ik stopte met eten, pakte mijn dubbelloops jachtgeweer en liet hem mij leiden. Ik kon hem nauwelijks bijhouden. Hij stopte plotseling, paniek verspreidde zich over zijn gezicht. Zijn witte hond lag dood tussen het hoge gras, een enorme python opgerold rondom zijn nek.

Ik schoot op de slang, verbrijzelde zijn kop, maar dit kon de jongen niet troosten. Hij had weer een groot verlies in zijn korte leven geleden. Hij pakte de dode hond vast en kuste hem alsof hij hem weer tot leven kon wekken. De wees had zopas de hond verloren die hem warm had gehouden tijdens de koude nachten op op de steppe.

Remi bleef alleen over. De monniken met de baarden hadden het te druk om voor hem te zorgen. Een paar oude vrouwen, melaats zoals zijn moeder, zouden nu zijn beschermers worden.Hoewel Beni een leprakolonie is en de missie uitsluitend bewoond wordt door zestig stervende slachtoffers van de ziekte, vond ik het moeilijk om mijn weg te vervolgen… Toch deed ik het.