Mijn Afrikaans avontuur

De Pool Kazimierz Nowak fietst tussen 1931 en 1936 van Poznan naar Zuid-Afrika en terug. In dit stukje leidt hij zijn reisverslag in.

Na een tocht van vijf jaar en vier weken keerde ik terug uit Afrika. Het continent zal me nooit meer loslaten. Een deel van mijn hart zal voor altijd daar zijn. Mijn herinnering zijn nog altijd even levendig. Ik hoef trouwens mijn kleine reisdagboek, dat ik dag na dag bijhield, maar open te slaan en mijn avonturen komen me weer glashelder voor de geest te staan.

In 1927 zette ik voor het eerst voet op Afrikaanse bodem. Vooraf had ik alles gelezen over de kolonies waar ik de hand op kon leggen. Die boeken waren steevast geschreven in het typische jargon van de machtige naties wiens vlaggen trots wapperden over hun verafgelegen territorium. Ze hadden het over beschaving brengen, en vooruitgang. Die eerste trip door Noord-Afrika was voor mij een openbaring en ik begon al vlug te broeden op nieuwe plannen. Ik beken eerlijk dat ik voor mijn vertrek met een jaloerse blik keek naar de Fransen en andere koloniale grootmachten met al hun overzeese bezittingen.Tijdens die eerste trip moest ik uit Afrika terugkeren wegens geldgebrek. Maar ik nam me toen voor om terug te keren en de gebieden achter de Middellandse Zeekust te ontdekken. Ik zou het mysterieuze binnenland van het continent doorkruisen.

Ik verdiepte me in tussentijd in de geografie en de etnografie van die landen. Ik stuitte op boeken van ex-soldaten, ambtenaren en jagers, trof cijfermateriaal aan dat de waarde van de koloniale ‘kroonjuwelen’ bevestigde. Al deze lijvige werken waren mooi ontworpen en stonden vol prachtige illustraties. Nadat ik alles had gelezen wat ik te pakken kon krijgen ben ik teruggekeerd naar het Donkere Continent. In 1931 ben ik dan eindelijk zelf het binnenland ingetrokken. En daar, terwijl ik dag na dag dieper het binnenland inreed, ontdekte ik een ander Afrika. Het was arm, ziek, grijs, zwart en smerig. Dat was voor mij een pijnlijke ontdekking. Het woord kolonie, dat me ooit met jaloezie vervulde, en waarop zovele mensen tot op de dag van vandaag trots zijn, vervult me nu met diepe afkeer.

Er bestaan twee Afrika’s. Het ene bestaat voor de show en het andere is nagenoeg onbekend. Om dat tweede te ontdekken moet je moeite doen en een levensgevaarlijke reis ondernemen waarop je geplaagd wordt door zweet, honger, dorst en andere ongemakken. Allicht daarom is dit onbekende Afrika zo zelden beschreven door reizigers. Ik maakte mijn tocht per fiets, te voet, te paard, per boot en zelfs even op een dromedaris. Daarbij  vermeed ik de toeristische wegen die toch niks anders te bieden hebben dan gekunstelde schijnvertoningen die de bezoeker op het verkeerde been zetten.

Ik kwam in Algiers, Tunis, Cairo, Johannesburg, Kaapstad en Brazzaville…eilandjes van beschaving die over de wildernis en de woestijn van Afrika verspreid liggen. En hoewel ik er passeerde waren zij nooit het doel van mijn reis. Ik koos vooral de wildste, meest afgelegen paden en trok door verlaten, lege gebieden zonder wegen. Ondanks alle inkt die al over dit continent gevloeid is kwam ik terecht in een land dat nog niet in kaart is gebracht, even mysterieus als de Sfinx zelf, en was ik vastberaden haar zwarte gelaat bloot te leggen. Mijn opzet is geslaagd denk ik, minstens gedeeltelijk, en wat ik kon opvangen van haar raadselachtige eigenschappen deel ik in wat volgt met mijn lezers.